Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.2

Artikel 26

Aanvullende voorwaarden en beperkingen voor voorzieningen ten behoeve van het normale gebruik van de woning

Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag (2009)

1.. Een voorziening ten behoeve van het normale gebruik van de woning als bedoeld in dezeparagraaf kan slechts worden toegekend voor zover: de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; de aan te passen woning in de gemeente Den Haag staat; er in het geval van de voorzieningen als bedoeld in artikel 23 onder a. en c. sprake is van een zelfstandige woonruimte; de aanvrager ervoor heeft gekozen te verhuizen naar een beschikbare woning die gelet op zijn reeds bestaande beperkingen passend is, tenzij er van tevoren door het college schriftelijke toestemming is verleend om van deze voorwaarde af te wijken; de woning waaraan de voorziening als bedoeld in artikel 23 onder a. en c. wordt getroffen nog minstens vijf jaar in stand blijft. 2.. Het college weigert de voorziening ten behoeve van het normale gebruik van de woning als genoemd in deze paragraaf: indien de aanvraag betrekking heeft op of de voorziening is bedoeld voor een AWBZ- instelling, een op zorg gerichte instelling, hotels/ pensions, kamerverhuur, trekkerwoonwagens, kloosters, vakantiewoningen en tweede woningen; indien deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, plateauliften, trapliften en extra leuningen; indien de aanvraag voor de voorziening als genoemd in artikel 23 onder e. verband houdt met een verhuizing van of naar een AWBZ- instelling of een daarmee vergelijkbare instelling; indien de aanvrager in het geval van de voorziening als genoemd in artikel 23, onder e., verhuist vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; indien deze betrekking heeft op gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. 3.. In afwijking van het gestelde in het eerste lid onder a. kan een voorziening worden verstrekt voor het logeerbaar maken van één woonruimte als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 4.. In geval van co-ouderschap van een persoon met beperkingen onder de 18 jaar, kan een voorziening worden verstrekt voor het logeerbaar maken van de woningen van beide ouders. 5.. Onder het in het derde en vierde lid genoemde logeerbaar maken van de woonruimte, wordt verstaan dat de persoon met beperkingen de woonkamer, één slaapgelegenheid, één toilet en een douche- of wasruimte kan bereiken en gebruiken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel