Naar hoofdinhoud

Artikel 21a

Maatregelen voor werkzaamheden in groenvoorzieningen

Onderdeel van Voorschriften werkzaamheden ondergrondse infrastructuren

1.. In de periode april tot en met oktober dient gras in gazons door de aanbieder in dunne zoden, dikte 3 à 5 cm, te worden verwijderd door middel van een zodensnijder. 2.. Vinden de werkzaamheden buiten de periode van april tot en met oktober plaats, dan moeten de verwijderde zoden door en op kosten van de aanbieder worden afgevoerd. In de eerstkomende groeiperiode van april tot en met oktober zal de sleuf door de gemeente worden ingezaaid met gras van overeenkomstig ras. De sleuf dient wel te worden aangevuld tot dezelfde hoogte als het omliggende gazon. 3.. Indien terugzetten van op te nemen beplanting niet mogelijk is, moet de beplanting worden gerooid. De beplanting zal door de gemeente worden ingeboet in het betreffende plantseizoen met de oorspronkelijke soorten en maten.

Rechtspraak bij dit artikel