Naar hoofdinhoud
Ontgraven sleuven Teelaarde en zand dienen elk gescheiden te worden ontgraven van overige grondsoorten. Aanvullen sleuven Bij aanvullen van sleuven dienen de grondsoorten te worden aangebracht in de oorspronkelijke lagen. De dikten van de teelaarde en de zandlagen dienen gelijk te zijn aan de oorspronkelijke laagdikten. De werkzaamheden dienen zo mogelijk te worden uitgevoerd in een droge sleuf. Indien voor het onttrekken van grondwater een vergunning of melding vereist is, draagt het nutsbedrijf zorg voor de verkrijging daarvan. Het nutsbedrijf draagt de kosten voor het verkrijgen en voldoen aan de bepalingen ervan. Afhankelijk van de uitvoeringswijze en omstandigheden levert het nutsbedrijf in voorkomende gevallen zand of andere grond bij of voert overblijvende grond af. Indien bij de uitvoering blijkt, dat de uitkomende grond niet voor aanvulling geschikt is, kan niet, dan na overleg, van het nutsbedrijf worden verlangd dat andere grond wordt geleverd, tenzij dit alsnog wordt overeengekomen of afzonderlijk wordt verrekend. Verdichten aanvullingen Alle aanvullingen dienen laagsgewijs te worden verdicht. De verdichting van de aanvulling dient zodanig te geschieden dat de oorspronkelijke dichtheid voorafgaande aan het ontgraven zo goed mogelijk wordt benaderd. De proctordichtheid van de aanvullingen onder verhardingen mag na verdichten niet meer dan 3% afwijken van de oorspronkelijke proctordichtheid, zoals deze op korte afstand naast de sleuf wordt aangetroffen. Van zand, dat in aanvullingen onder verhardingen is verwerkt, moet de verdichtinggraad tenminste: - 98% bedragen voor het zandbed van rijbanen en voet- en fietspaden op zandondergrond en van rijbanen op klei ondergrond. - 97% bedragen voor het zandbed van rijbanen op veen ondergrond en voet- of fietspaden op klei ondergrond. - 96% bedragen voor het zandbed van voet- en fietspaden op veenondergrond. De controle van de verdichting tijdens de uitvoering mag geschieden met behulp van een handsondeerapparaat, mits de conuswaarde wordt gerelateerd aan een, voor de te verdichten sleufaanvulling, representatief proefvak. Grond, die in aanvulling is verwerkt in beplantingsvakken of onder gras op een diepte van minder dan 0,80 m, mag na verdichten een conuswaarde hebben van maximaal 2,0 N/mm2. Bij verdichten van grond in beplantingsvakken of onder gras mag geen verkneding of structuurbederf optreden. Teelaarde dient te worden verdicht.

Rechtspraak bij dit artikel