Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a tweede lid, WI kan het dagelijks bestuur de voorziening aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt. Het PIB wordt gezien als een geschikt instrument om invulling te geven aan meer maatwerk en meer eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar bij de vormgeving en invulling van de voorziening. De raden moeten bij verordening regels stellen over de procedure die door het dagelijks bestuur wordt gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk inburgeringsbudget en de criteria die worden gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk inburgeringsbudget.
In het eerste lid leggen de gemeenten vast op welke wijze verzoeken van inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget worden behandeld. In de verordening kunnen de volgende onderwerpen worden geregeld:
De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk of ook mondeling.
De wijze van begeleiding door de sociale dienst van de inburgeringsplichtige bij vormgeving van zijn inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf. Op grond van artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering moet het dagelijks bestuur deze taak op zich nemen.
De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en ambities.
Het tweede en derde lid van dit artikel leggen de criteria vast aan de hand waarvan het dagelijks bestuur het voorstel voor het volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en een taalkennisvoorziening goedkeurt.
Belangrijk is dat het programma onderscheidend moet zijn van het reguliere aanbod van de sociale dienst en aansluit bij de capaciteiten van de inburgeraar.
Daarnaast is de eis dat het inburgeringsprogramma naar het oordeel van het dagelijks bestuur passend is om de inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. De taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding (MBO 1 en 2). Ook moet de voorziening verzorgt worden door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de eis of de eisen die de verordening aan inburgeringsbedrijven stelt.
Tot slot wordt in het derde lid geregeld wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar sluit. Dit kan de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar zijn, het dagewlijks bestuur, het dagelijks bestuur en de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar, een andere partij of een combinatie van de hiervoor genoemde partijen gezamenlijk.
Hoofdstuk
Artikel 7
De voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget
Onderdeel van Verordening Wet inburgering Sociale Dienst Oost Achterhoek 2011