**1..** De benoeming van commissieleden geschiedt zo spoedig mogelijk na het tijdstip waarop de bij de verkiezing wegens periodieke aftreding gekozen raadsleden hun betrekking hebben aanvaard en wel voor een zittingsduur gelijk aan die van de zittende raad. Degene die ter vervulling van en tussentijdse vacature tot lid van een commissie wordt benoemd heeft zitting voor de resterende zittingsduur van de gemeenteraad.
**2..** Iedere groepering in de raad bestaande uit tien leden of meer levert maximaal vier leden en vier plaatsvervangende leden per commissie. Fracties bestaande uit minder dan 10 leden leveren maximaal drie leden en drie plaatsvervangende leden.
**3..** Een plaatsvervangend lid kan, in de commissie waarin hij/zij als zodanig is benoemd, als vervanger optreden voor elk afwezig lid uit dezelfde politieke groepering als die waartoe hij/zij behoort.
**4..** Alle bepalingen van deze verordening, welke van toepassing zijn op de leden van de commissies, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van plaatsvervangende leden.
**5..** Bij instelling van een commissie worden de leden en plaatsvervangende leden door de gemeenteraad uit zijn midden benoemd.
**6..** Degene die ophoudt lid van de gemeenteraad te zijn houdt tevens op lid te zijn van de commissie.
**7..** Het presidium van de raad kan een lid van de commissie op diens verzoek tussentijds ontheffing uit het lidmaatschap verlenen. De ontheffing gaat in op het tijdstip waarop de opvolger wordt benoemd. In een vacature wordt binnen zes weken voorzien.
**8..** Tussentijdse benoeming van leden en plaatsvervangende leden in een commissie, onder wie begrepen waarnemer en fractievertegenwoordiger, doch met uitzondering van lid-voorzitter, vindt plaats door het presidium.