Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Inspraak in de raadscommissie

Onderdeel van Verordening raadscommissies.

1.. De voorzitter stelt niet-leden in de gelegenheid te spreken over de geagendeerde onderwerpen, met inbegrip van de op de advieslijst vermelden punten (inspreekrecht). Uitgezonderd zijn de vaststelling van het conceptverslag, de ingekomen stukken, de rondvraag, het twee-minutendebat alsmede voorstellen tot het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen. De voorzitter van de commissie kan inspreken toestaan, indien een inspreker van oordeel is dat de samenvatting van een eerder uitgesproken inspreektekst in het conceptverslag niet goed is weergegeven of een actuele (emotionele) aangelegenheid daartoe aanleiding geeft. 2.. Degenen die van het inspreekrecht gebruik willen maken moeten dit uiterlijk vier uren vóór aanvang van de vergadering of – indien de vergadering in de ochtend aanvangt – uiterlijk de werkdag daarvoor vóór 16.00 uur melden aan de secretaris van de desbetreffende commissie, onder opgave van naam, adres en telefoonnummer en van het onderwerp of onderwerpen waarover zij het woord wensen te voeren. 3.. Degene die van het inspreekrecht gebruik maakt voert het woord direct voorafgaand aan de behandeling door de commissie van het desbetreffende onderwerp. De spreektijd bedraagt per inspreker maximaal vijf minuten. 4.. Indien de beraadslagingen door de commissie in twee termijnen plaatsvindt, stelt de voorzitter degenen die van het inspreekrecht in eerste termijn gebruik hebben gemaakt direct voorafgaand aan de tweede termijn van de beraadslagingen in de gelegenheid voor de duur van ten hoogste vijf minuten, te reageren op de betogen van de leden in eerste termijn. 5.. Commissieleden kunnen insprekers na toestemming van de voorzitter kort een vraag stellen op hun zojuist uitgesproken inspreektekst. De spreektijdenregeling is van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel