Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 14

Uitkering bij aftreden

Onderdeel van Verordening Voorzieningen raadsleden 2007

1.. Begripsbepaling In dit artikel wordt verstaan onder: belanghebbende: degene die met ingang van, dan wel na de inwerkingtreding van deze verordening als lid van de gemeenteraad is gekozen en die geen lid is van het college; gezinslid van de belanghebbende is: de echtgenoot, echtgenote, geregistreerd partner of levenspartner van de belanghebbende; een kind, stiefkind of pleegkind, waarvoor de belanghebbende, de echtgenoot, echtgenote of levenspartner op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag geniet of zal genieten met ingang van de eerste dag van het kalenderkwartaal volgende op dat waarop het deel uit is gaan maken van het gezin, of dat in aanmerking komt voor een beurs als bedoeld in de Wet Studiefinanciering en niet ouder is dan 27 jaar; levenspartner is degene met wie het raadslid een geregistreerd partnerschap is aangegaan, of waarbij de niet-huwelijkse samenlevingsvorm blijkt uit een bij een notaris opgemaakt samenlevingscontract 2.. Het recht op uitkering Hij die ophoudt raadslid te zijn, heeft, tenzij hij zonder onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag, waarop het lidmaatschap van de gemeenteraad eindigt, voor zover hij alsdan de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt, recht op een uitkering. Geen recht op uitkering heeft een raadslid, dat ontzet is uit het kiesrecht bij onherroepelijk geworden vonnis. De belanghebbende wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering erin toe te stemmen, dat de raad alle inlichtingen omtrent de omstandigheden van belanghebbende vordert, welke voor de uitvoering van deze verordening naar zijn oordeel nodig zijn. 3.. Uitkeringsduur De uitkering wordt toegekend voor een periode, gelijk aan het tijdvak waarin de belanghebbende laatstelijk zonder wezenlijke onderbreking zijn raadslidmaatschap heeft vervuld, doch ten hoogste voor de duur van twee jaar. De raad beslist of een onderbreking als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake, indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. 4.. Bedrag van de uitkering De uitkering bedraagt gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand 70% van de laatstelijk als raadslid genoten vergoeding. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “laatstelijk genoten” verstaan: waarop aanspraak bestond of zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die waarop het raadslidmaatschap is geëindigd. 5.. Korting wegens inkomsten De inkomsten die belanghebbende geniet worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Voor de toepassing van lid 5, onder a, wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijke bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet tijdens het uitkeringstijdvak als: winst uit onderneming; vergoeding wegens fractievertegenwoordiging of vergoeding aan commissieleden op grond van de Verordening geldelijke vergoedingen aan commissieleden niet zijnde raadsleden; zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid; Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin wordt mede verstaan een werkloosheid- of arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens een wettelijke bepaling. Voor de toepassing van lid 5, onder a, wordt als niet relevant beoordeeld of de in lid 5, onder b, bedoelde activiteiten door belanghebbende reeds aangevangen zijn in de periode voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging van het raadslidmaatschap. Onder inkomsten bedoeld in lid 5, onder a, b en c wordt niet verstaan de kinderbijslag, alsmede de compensatie voor of de vergoeding van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Nabestaanden wet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. Inkomsten van gezinsleden en/of levenspartner blijven voor de toepassing van lid 5, onder a, buiten beschouwing. Belanghebbende is verplicht van het uitoefenen, of het ter hand nemen of weer ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf, terstond mededeling te doen aan de raad onder opgave voor zover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander overeenkomstig de voorschriften, die hem door de raad worden gegeven. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard van de activiteiten of de inkomsten mee, dat de inkomsten over een langere termijn dan een maand moeten worden berekend, dan wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde termijn. 6.. Betaling De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen. 7.. Einde van de uitkering Onverminderd het gestelde in lid 3, onder a, eindigt de uitkering: met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende is overleden; met ingang van de dag waarop belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt; met ingang van de dag waarop hij weer als raadslid aantreedt. 8.. Schorsing De betaling van de uitkering kan door de raad worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet, of slechts gedeeltelijk, de mededeling of opgave doet als bedoeld in lid 5, sub e. Indien de in lid 8, onder a, bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van de schorsing alsnog uitbetaald.

Rechtspraak bij dit artikel