De burgemeester kan een vigerende vergunning intrekken:
a. indien blijkt dat die vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan die vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a;
c. indien gehandeld wordt in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;
d. indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken.