Naar hoofdinhoud
1.. De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen. 2.. Geen precariobelasting wordt geheven voor: voorwerpen ten behoeve van de openbare dienst van de gemeente; kelderingangen, licht- en luchtopeningen (koekoeken) en stoeptreden, welke in of op aan de gemeente om niet afgestane grond aanwezig waren op het tijdstip van overdracht; buizen in de grond tot lozing van faecaliën, huishoud- of hemelwater; voorwerpen welke uitsluitend in een algemeen belang voorzien en welke niet tegen betaling worden geëxploiteerd; voorwerpen als genoemd in de tarieventabel, onderdeel 27, indien: deze voorkomen aan één onroerende zaak als bedoeld in artikel 2 van de Verordening onroerendezaakbelastingen 2008 en tezamen minder belopen dan 2 m¹, dan wel indien deze voorkomen langs en aan gevels van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2 van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2008 voor zover de voorwerpen niet meer dan 0,80 meter uit de gevel geplaatst zijn.​ 3.. De precariobelasting bedoeld in de tarieventabel, onder 8, wordt niet geheven over de dag, waarop de grond in gebruik wordt genomen. 4.. De precariobelasting bedoeld in de tarieventabel, onder 26A wordt niet geheven over de eerste twee weken van het heffingstijdvak en voorts over niet meer dan 50 weken per kalenderjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel