Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Ontstaan belastingschuld en bepalingen omtrent aanvang en einde van de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rechten wegens het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen in de gemeente 's-Gravenhage (Verordening begraafrechten 2008)

1.. De rechten, bedoeld in de onderdelen 7.3 tot en met 7.6 van de bij deze verordening behorende tabel, zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. Indien de belastingplicht na 1 januari doch voor 1 april van het kalenderjaar aanvangt, zijn de rechten bedoeld in de onderdelen 7.3, 7.4 en 7.5 van de bij deze verordening behorende tabel volledig verschuldigd. Indien de belastingplicht op of na 1 april doch voor 1 oktober van het kalenderjaar aanvangt, zijn over het betreffende deel van het kalenderjaar de helft van de rechten verschuldigd bedoeld in de onderdelen 7.3, 7.4 en 7.5 van de bij deze verordening behorende tabel. Indien de belastingplicht op of na 1 oktober aanvangt, zijn over het betreffende deel van het kalenderjaar geen rechten verschuldigd bedoeld in de onderdelen genoemd in de vorige volzin. 3.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt voor de rechten bedoeld in de onderdelen 7.3, 7.4, 7.5 van de bij deze verordening behorende tabel op aanvraag ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten als er in dat belastingtijdvak, na het tijdstip van eindigen van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. 5.. Ontheffing wordt niet verleend indien deze minder dan € 10,00 bedraagt.

Rechtspraak bij dit artikel