De handelaar of een voor hem handelend persoon is
verplicht:
wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen
een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van
het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten
behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
zijn register(s) onverwijld doch woonadres, zomede van
het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van
zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en
de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
voorkomen;
indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren
is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de
onder a bedoelde functionaris;
zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te
geven aan de burgemeester of een daartoe door de
burgemeester aangewezen ambtenaar;
wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep
of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval
binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
stellen.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 11:
Artikel 2:68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV)