Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 5:

Artikel 2:10

Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag

1.. Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben , of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan . 2.. Dit verbod is niet van toepassing op: aan gebouwen bevestigde, niet voor commerciële doeleinden gebruikte vlaggen, wimpels, vlaggenstokken en dergelijke, voor zover deze voorwerpen zo zijn aangebracht, dat zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen; zonneschermen, mits aangebracht boven een trottoir en voldoen aan de voorwaarden: dat geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven het trottoir of minder dan 0,5 meter binnen de buitenkant daarvan bevindt; dat geen onderdeel verder dan 1,4 meter buiten de opgaande gevel reikt; voorwerpen, met uitzondering van tenten, die gedurende korte tijd op de weg worden geplaatst en daar geen gevaar of hinder opleveren voor personen of goederen; voertuigen, met uitzondering van: voertuigen die onderdeel uitmaken van het bouwverkeer of worden gebruikt bij bouwactiviteiten; fietsen, bromfietsen of motorfietsen die op de weg worden geplaatst met het kennelijk doel om deze te koop aan te bieden of te verhandelen. - vervallen - - vervallen - kleine voorwerpen met een publieke functie, die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn aangewezen; - vervallen - voorwerpen geplaatst voor werkzaamheden en voorwerpen geplaatst ten behoeve van bouwwerkzaamheden, mits dit vooraf is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders met het vastgestelde meldingsformulier (formulier C) en de voorwerpen: geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, en de voorwerpen niet langer dan 60 uur op de weg worden geplaatst. voorwerpen in winkelportieken, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van de aan het portiek gelegen winkel(s) en voorzover deze voorwerpen geen hinder voor de omgeving opleveren; voorwerpen in door burgemeester en wethouders aangewezen winkelpassages, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van in de passage gelegen winkels. 3.. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van: openbare orde; doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg; bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand; schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht of; te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29, 2:33A en artikel 4:6 van toepassing is. 4.. De aanvrager van een vergunning is verplicht daarvoor gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders voor bepaalde categorieën van voorwerpen vastgesteld aanvraagformulier (formulier A). 5.. Een aanvraag om vergunning wordt eerst in behandeling genomen, nadat de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde stukken zijn overgelegd conform de door burgemeester en wethouders vastgestelde richtlijnen (formulier B). 6.. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels strekken ter bescherming van de belangen als genoemd in het derde lid. In deze nadere regels kan voor bepaalde categorieën van voorwerpen worden bepaald dat de uitzondering als genoemd in het tweede lid onder j. of k. niet van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel