Eerste lid
Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:
met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of
door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).
Bij het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt behoeft niet overgegaan te worden tot herziening van de bijstand en terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan bijstand. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.
Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht ligt wel voor de hand als er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het te veel betaalde bedrag aan bijstand van de uitkeringsgerechtigde moet worden teruggevorderd. In dat geval wordt al een uitkeringsbedrag teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat met terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd.
Tweede lid
Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.
Derde lid
In dit lid is benoemd dat een maatregel met terugwerkende kracht kan gelden bij de definitieve vaststelling van het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz.
Vierde lid
Als een maatregel voor een bepaalde periode is opgelegd en tijdens die periode wordt de uitkering beëindigd, is het niet mogelijk om die maatregel automatisch te laten ‘herleven’ als naderhand opnieuw recht op bijstand ontstaat (CRvB 21 augustus 2007, LJN: BB2800). Dat geldt ook voor de situatie dat een maatregel in het geheel niet kan worden opgelegd omdat de bijstand wordt beëindigd voordat de maatregel kan worden geëffectueerd.
Zodra een nieuw bijstandsrecht ontstaat, kan wel weer een nieuwe maatregelbeoordeling plaatsvinden. Dit kan ertoe leiden dat de eerder opgelegde maatregel wordt ingezet of voortgezet. Daarbij dient dan wel betrokken te worden in welke mate de eerste maatregel reeds is geëffectueerd en in hoeverre de actuele omstandigheden een hernieuwde maatregel toelaten (CRvB 15 november 2005, JWWB 2006/9).
Dit lid opent de mogelijkheid om het besluit alsnog uit te voeren indien de belanghebbende binnen 12 maanden na de datum van het besluit terugkomt in de bijstand. Blijft hij langer dan een jaar uit de uitkering dan vervalt de mogelijkheid om een niet (volledig) geëffectueerde maatregel nog te doen plaats vinden.
Een aankondiging in de beschikking dat zodra belanghebbende weer uitkering gaat ontvangen opnieuw een maatregel zal worden opgelegd, is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (CRvB 28 december 2004, LJN AR 8922).
Vijfde lid
Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.
Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.
De herbeoordeling dient plaats te vinden binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.