Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.2.3

Scheiding en afvoer van materialen

Onderdeel van Beleidsregels kabels en leidingen Bunschoten 2011

Teelaarde, zand, funderingsmateriaal en overige bouwstoffen worden elk gescheiden ontgraven. De aanbieder draagt zorg voor de uit het werk komende bouwstoffen. Verlies, vermissing of beschadiging van deze bouwstoffen is tot de goedkeuring van het werk door de opzichter voor rekening van de aanbieder. De aanbieder voert na afloop van zijn werkzaamheden al het overtollig materiaal (zand, grond, puin, kapotte verhardingsmaterialen et cetera) op eigen kosten af en levert het werkterrein schoon op. De hierbij door de opzichter gegeven aanwijzingen worden opgevolgd. Blijkt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dat de uitkomende grond naar de mening van de opzichter niet voor aanvulling geschikt is, dan wordt deze grond door de aanbieder en voor diens rekening van het werk afgevoerd. Door de aanbieder wordt op eigen kosten geschikte grond of geschikt zand voor aanvulling op het werk aangeleverd. Voordat wordt overgegaan tot het afvoeren van materialen, zoals aangegeven in lid 2 en 3, stelt de aanbieder zich overeenkomstig de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit en de Wet Bodembescherming op de hoogte van de kwaliteit van de uitkomende grond. Indien tijdens de werkzaamheden bodemverontreiniging wordt geconstateerd, worden de werkzaamheden direct gestaakt. Gelijktijdig worden door de aanbieder maatregelen getroffen ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging of risico’s voor de volksgezondheid. Pas na toestemming van de opzichter worden de werkzaamheden hervat. (Her)gebruik van grond en bouwstoffen gebeurt door de aanbieder volgens het Besluit bodemkwaliteit en de Wet Bodembescherming. Grondverbetering en het afvoeren van vervuilde grond geschieden voor rekening van de gemeente. Het bepaalde in dit artikel laat de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van partijen voortvloeiend uit de milieuwetgeving onverlet.

Rechtspraak bij dit artikel