Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 2.

Het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004

1.. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.. Bij recidive van een gedraging waarbij een maatregel van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd volgt verdubbeling van de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Bij de overige maatregelen wordt bij recidive het percentage verdubbeld. Deze bepaling geldt alleen indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging waaraan een maatregel met hetzelfde of hoger percentage is verbonden. 4.. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel