Het college kan advies inwinnen bij de Cvb en/of de ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven. Als nadeel van een keuze voor de directeur/Cvb als adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende school. Het is in dat kader
van belang dat het college een gemotiveerd advies vraagt van de directeur/Cvb.
Gelet op het bovenstaande is in de Verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te raadplegen.
Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de leerling, een kinderpsycholoog, maar ook een schoolartsendienst of GGD/Argonaut. De kosten verbonden aan de adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige dienst zullen voor rekening van de gemeente komen.
Tenslotte zou de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke commissie van advies kunnen instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden.
Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.
Advisering bij negatieve beschikking
Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde Cvb of andere deskundigen daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat ook advies gevraagd kan worden indien de gemeente dit anderszins wenselijk vindt.
Volgens de Verordening vindt advisering plaats indien het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om:
advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (art. 15, 2e lid);
advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is (art. 17, 1e lid);
advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is – ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (art. 18, 1e lid, onder a);
advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de Verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer te bereiken (art. 20);
advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (art. 18, 1e lid, onder c);
advisering aan het college indien het college wil afwijken van de bepalingen zoals die omschreven zijn in Titel 3 van de Verordening.
De commissies of andere deskundigen hebben geen adviserende taak indien het betreft:
de vraag of de reistijd van 1½ uur of meer met openbaar vervoer door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (art. 18, onder b);
de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (art. 18, onder c).
Het spreekt voor zichzelf dat de commissies of andere deskundigen het gemotiveerde advies aan het college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze commissies en andere deskundigen zijn een externe adviseur in de zin van art. 3:5 Awb. Dit houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft uitgebracht.