Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de Verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de Verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij art. 4, 12e lid WPO, art. 4, 7e lid WVO en art. 4, 10e lid WEC.
Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn indien:
-een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt, toch - gezien zijn
verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap - begeleid moet worden;
leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen;
sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil betalen;
-sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke school. Indien daarvan sprake is – de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (ABRvS van 28-2-1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook ABRvS van 6- 10-1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).
In haar jurisprudentie heeft de ABRvS in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de hardheidsclausule te weten:
Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de Verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (ABRvS van 12-5-1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3).
Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de Verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23 (ABRvS van 2-4-1990 R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4). Voorts dient erop te worden toegezien dat, ter voorkoming van - ongewenste – precedentenwerking, de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking hebbende argumenten. Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het college zo nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt. De ABRvS heeft in 2006 een verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling (LJN AZ9034). Art. 1 definieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.
Hoofdstuk
Artikel 29
AFWIJKEN VAN BEPALINGEN
Onderdeel van Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2011