Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de
seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel
5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar
vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de
voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de
seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag
waarop tenminste de vereiste leeftijd wordt bereikt, wordt de
seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging
gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en
5:3.