In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een
dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3
meter hoogte boven het maaiveld. In geval van
meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste
stam;
houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een
grotere (lint)- begroeing van heesters en stuiken, een
beplanting van bosplantsoenen;
hakhout: een of meer bomen of boomvormers die na te zijn
geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
houtopstand, hieronder wordt ook verstaan het periodiek
vellen van hakhout;
knotten of kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats
verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen,
gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk
onderhoud;
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
g. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
Moreau);
iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien,
met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
handelingen die de dood of ernstige beschadiging of
ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 5
Artikel 4.5.1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tytsjerksteradiel