1.Het is verboden één of meer van de volgende voorwerpen of stoffen
in de open lucht op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
indien deze opslag, plaatsing of aanwezigheid naar het oordeel van
het college het uiterlijk van de gemeente op ontoelaatbare wijze
schaadt of ontoelaatbare overlast veroorzaakt of zal veroorzaken die
hetzij moet worden opgeheven hetzij moet worden voorkomen of schade
aan de openbare gezondheid zal kunnen veroorzaken die moet worden
voorkomen.
Het gaat om de volgende voorwerpen of stoffen:
onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien
het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil,
een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;
afvalstoffen;
autowrakken.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de
Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening
Fryslân.
De ontheffing is zaaksgebonden.
Artikel 4.7.1.a Vliegenoverlast door gebruik van dierlijke
meststoffen
Dit artikel verstaat onder:
dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als
bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;
emissie-arm aanwenden: gebruiken van dierlijke
meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij
het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998
behorende bijlage II, met dien verstande echter dat
onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden:
tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze
gelijktijdig wordt ondergewerkt;
grond: bouwland, maïsland en grasland.
d . onhygiënische meststoffen: dierlijke mest waarin grote
hoeveelheden eitjes en larven van vliegen voorkomen.
Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik
dierlijke meststoffen 1998 is het verboden op
gronden onhygiënische meststoffen, uit te rijden, op
te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen
gedurende de periode van 1 april tot 1 oktober.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
toepassing voorzover de dierlijke mest emissie-arm,
als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.
Artikel 4.7.2 Vergunningplicht handelsreclame
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak
alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden
zonder vergunning van het bevoegde gezag deze zaak
of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het
gebruik daarvan toe te laten voor het maken van
handelsreclame met behulp van een opschrift,
aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook,
die vanaf de weg of vanaf een andere voor het
publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.
Het verbod geldt niet ten aanzien van:
opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het
inwendig gedeelte van een onroerende zaak;
opschriften en aankondigingen op zuilen, borden,
muren of andere constructies, aangewezen door de
overheid;
opschriften en aankondigingen betrekking hebbend
op:
openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop,
verhuur of verpachting van een onroerende zaak voor
zolang zij feitelijke betekenis hebben;
het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op
de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die
zaak is bestemd, zomede op naamborden;
mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen
grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2 en geen van alle een
grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en
mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op
of aan een onroerende zaak;
opschriften betrekking hebbend op de naam of aard
van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen
van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van
het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften
zijn aangebracht op borden bij of op de in
uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht
zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
hebben;
opschriften en aankondigingen aan gebouwen en
inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn
aangebracht ten dienste van dat vervoer;
Opschriften, aankondigingen en afbeeldingen binnen
sportinrichtingen, mits deze zijn aangebracht
beneden de hoogte van 1.20 meter boven de grond rond
het speelveld of bassin.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
worden geweigerd:
indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
eisen van welstand;
in het belang van de verkeersveiligheid;
c . in het belang van de voorkoming of beperking van
overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
onroerende zaak.
De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt
niet voor bouwwerken.
De vergunning is zaaksgebonden.
Artikel 4.7.3 Eisen aan niet-vergunningsplichtige
handelsreclame
Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
afbeelding als bedoeld in art. 4.7.2, tweede lid, de
veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
hinder voor de omgeving te veroorzaken.
Afdeling 8 Regels voor het hobbymatig houden van grote
huisdieren
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen
Woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat
voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is
bestemd.
Stankgevoelig objecten: objecten als genoemd in de
Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996.
Brandbare vloeistoffen: stof in vloeibare toestand
die een vlampunt heeft die hoger ligt dan 55°
C.
Emballage: glazen flessen tot 5 l, kunststof flessen
of vaten tot 60 l, metalen bussen tot 25 l, stalen
vaten of fiberdrums tot 300 l, papieren of kunststof
zakken, laadketels.
PGS-30: vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in
kleine installaties.
Paragraaf 2 Nadere bepalingen
Artikel 4.8.2 Opslag van mest
De opslag van mest moet zodanig geschieden dat geen
mest(vocht) in of op de bodem of het
oppervlaktewater terecht kan komen.
Dunne mest moet worden opgeslagen in een doelmatige
mestdichte opslagruimte (kelder).
Vaste mest moet worden opgeslagen op een mestdichte
betonnen ondergrond voorzien van opstaande randen en
een mestdichte afvoer naar een mestdichte
opslagruimte (kelder), of een gelijkwaardige
voorziening.
4. Van lid 3 mag worden afgeweken indien de opslag van
vaste mest plaatsvindt:
boven een absorberende laag en een dikte van ten
minste 0,15 meter en een organische stofgehalte van
ten minste 25 % (bijvoorbeeld stro of zaagsel)
en
onder een permanente bovenafdekking, zodanig dat
contact met hemelwater wordt voorkomen.
De opslag van vaste mest mag niet onder het maaiveld
zijn gelegen.
Bij een opslag overeenkomstig lid 4 moet de
absorberende laag tezamen met de mest worden
verwijderd.
Er mag niet meer dan 50 m3 vaste mest worden
opgeslagen.
De vaste mest moet ten minste 1 maal per jaar worden
verwijderd.
Verwijdering van de mest moet zodanig geschieden dat
hierdoor geen hinder voor de omgeving dan wel
verontreiniging van de bodem of oppervlaktewater
ontstaat. Eventueel gemorste mest moet direct worden
verwijderd.
De opslag van vaste mest moet geschieden op een
afstand van ten minste:
50 meter van een woning van derden of ander gevoelig
object binnen de
bebouwde kom;
b.25 meter van een woning van derden of ander gevoelig
object buiten de
bebouwde kom;
5 meter van de erfgrens;
5 meter van de insteek van een
oppervlaktewater.
Artikel 4.8.3 Opslag van vloeistoffen
Voor de opslag van brandbare stoffen, (waaronder
gasolie of dieselolie) is artikel 2.1.8. van het
“Besluit van 26 juli 2008 houdende vaststelling van
voorschriften met betrekking tot het gebruik van
bouwwerken uit het oogpunt van brandveiligheid
(Besluit brandveilig gebruik bouwwerken), van
toepassing.
Opslag van brandbare vloeistoffen in emballage moet
geschieden in doelmatige verpakking en boven een
vloeistofdichte lekbak die een inhoudscapaciteit
heeft die ten minste gelijk is aan de totale in deze
lekbak opgeslagen vloeistof.
Een tank voor de opslag van brandbare vloeistoffen
mag niet een grotere inhoud hebben dan 1100
liter.
Er mag niet meer dan 25 liter brandbare vloeistoffen
in emballage worden opgeslagen.
Brandbare vloeistoffen in emballage moet op een
afstand van ten minste 25 meter van woningen van
derden plaatsvinden.
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
gemeente
Afdeling 1 Parkeerexcessen
Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b,
van de Wegenverkeerswet 1994;
b voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
treinen en trams;
fietsen, bromfietsen;
3 invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990;
kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
voertuigen, rolstoelen;
parkeren: het laten stilstaan van een voertuig,
anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en
gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk
laden of lossen van goederen.
Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
e.d.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan
wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te
herstellen, te slopen, te verhuren of te
verhandelen, verboden:
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
cirkel met een straal van 25 meter met als
middelpunt een dezer voertuigen; dan wel
de weg als werkplaats voor voertuigen te
gebruiken.
Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt
mede verstaan:
het gebruiken van een voertuig voor het geven van
lessen;
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden
niet gerekend:
voertuigen waaraan herstel- of
onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
deze werkzaamheden;
voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de
in het eerste lid genoemde persoon.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde
verbod ontheffing verlenen.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen
(vervallen)
Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere
dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden
gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de
weg te parkeren.
Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken
Het is verboden een voertuigwrak op de weg te
plaatsen of te hebben.
Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
verkeert.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 5.1.5 Caravans e.d.
1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan,
camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander
dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
gebezigd:
langer dan op 5 achtereenvolgende dagen te laten staan op
een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn
oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
uiterlijk aanzien van de gemeente.
De rechthebbende op een voertuig als genoemd in lid
1 wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven
indien het voertuig binnen een straal van 500 meter
- hemelsbreed gemeten – gerekend vanaf de in lid 1
bedoelde plaats wordt aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een voertuig als genoemd
in lid 1 verboden het voertuig binnen vijf dagen
nadat het is verplaatst, opnieuw neer te zetten op
de in lid 1 bedoelde plaats.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het
eerste lid gestelde verbod.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door het
Provinciaal wegenreglement Fryslân of de Provinciale
landschapsverordening Fryslân.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen of
vaartuigen
Het is verboden een voertuig of een vaartuig dat is
voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op
de weg te parkeren of te plaatsen met het kennelijk
doel om daarmee handelsreclame te maken. Onder
handelsreclame wordt mede verstaan het te koop of te
huur aanbieden van een voertuig of een
vaartuig.
Het college kan van dit verbod ontheffing
verlenen.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of
een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een
door het college aangewezen plaats, waar dit naar
zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
aanzien van de gemeente.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te
parkeren op een door het college aangewezen weg,
waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is
met het oog op de verdeling van beschikbare
parkeerruimte.
3 Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van
08.00 tot 18.00 uur.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid
gestelde verboden ontheffing verlenen.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende
voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een
hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren
bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik
bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat
gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is
voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met
stankverspreidende stoffen
Het is verboden een voertuig met stankverspreidende
stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers
van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan
hinder of overlast kunnen ondervinden.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door
voertuigen
Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te
rijden door dan wel deze te doen of te laten staan
in een park of plantsoen of een van gemeentewege
aangelegde beplanting of groenstrook.
Dit verbod is niet van toepassing:
op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder
a;
op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
overheid;
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor
dit doel zijn bestemd.
3 Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
4.De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets
Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen
waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
de gemeente, ter voorkoming of opheffing van
overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
openbare gezondheid, verboden is fietsen of
bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde
ruimten of plaatsen te laten staan.
Het is verboden fietsen of bromfietsen die
rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te
laten staan.
Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en
snuffelmarkten
Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen
Het is verboden zonder vergunning van het college
een openbare inzameling van geld of goederen te
houden of daartoe een intekenlijst aan te
bieden.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
verstaan: het bij het aanbieden van goederen,
waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten
aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat
de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
of ideëel doel is bestemd.
3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
Het college kan onder door hem te stellen
voorschriften vrijstelling verlenen van het in het
eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
gehouden worden door daarbij aangewezen
instellingen.
De vergunning is persoonsgebonden.
Artikel 5.2.2.1 Begripsomschrijving venten
In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het
in uitoefening van de ambulante handel te koop
aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op of
aan de weg, aan huis of op een andere voor het
publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen
plaats, dan wel diensten aan te bieden.
Onder het venten wordt niet verstaan:
het huis-aan-huis afleveren van goederen door
of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van
zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet;
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
van goederen als bedoeld in het eerste lid op
jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
eerste lid, onder h van de Gemeentewet of op
snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4 van
deze verordening;
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
van goederen als bedoeld in het eerste lid op een
standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van
deze verordening.
Artikel 5.2.2.2 Ventverbod en meldingsplicht
Het is verboden te venten indien daardoor de
openbare orde, de openbare veiligheid of de
volksgezondheid in gevaar komt.
Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot
en met zaterdag tussen 22 en 9 uur.
Tien werkdagen voorafgaand aan het venten, moet
hiervan melding worden gedaan aan het college.
Wanneer binnen vijf werkdagen na ontvangst van het
meldingsformulier door het college geen tegenbericht
is verzonden, kan het venten zoals vermeld
plaatsvinden.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
van de Wegenverkeerswet.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 7
Artikel 4.7.1
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tytsjerksteradiel