Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee
ligplaats in te nemen.
Het in lid 1 gestelde verbod is niet van toepassing op het
innemen van ligplaats:
met een vaartuig aan een krachtens artikel 5.3.8 of bij een
geldend bestemmingsplan als zodanig aangewezen ligoever dan
wel in een bij geldend bestemmingsplan aangewezen haven of
andere bij bestemmingsplan aangewezen gelegenheid die
bestemd is om een vaartuig onder te brengen;
met een vaartuig, behorende tot een categorie vaartuigen,
waarvoor het verbod door het college op grond van het
gestelde in lid 3, buiten toepassing is verklaard.
Het college kan (categorieën van) vaartuigen aanwijzen
waarop het in lid 1 gestelde verbod niet van toepassing
is.
Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig ,
waarop het in lid 1 gestelde verbod krachtens het bepaalde
in lid 2 onder a en b, lid 3 en lid 4 niet van toepassing
is:
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
van de gemeente;
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen;
Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
Fryslân of de Provinciale landschapsverordening
Fryslân.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Artikel 5.3.3 Aanleggen.
Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan
te leggen in of aan een rietkraag of aan of op een krachtens
artikel 5.3.9 als zodanig aangewezen oever.
a. Onverminderd het bepaalde in
lid 1, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden,
daarmee langer dan gedurende ten hoogste drie
achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde
plaats aan te leggen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee
gedurende drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan
op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op
die plaats door een met de uitvoering van de verordening
belaste ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1.a wordt
aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van drie dagen
en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie
dagen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde
plaats te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een
straal van 500 meter - hemelsbreed gemeten - gerekend vanaf
de in lid a bedoelde aanlegplaats wordt aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig
vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in
lid 1, sub a, bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.
Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing
verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 5.3.9
als zodanig aangewezen oever.
Het in het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien
door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement,
de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
vaarwegenverordening Fryslân of de Provinciale
landschapsverordening Fryslân.
De ontheffing is persoonsgebonden.