Naar hoofdinhoud
1.. De grondslag, waarnaar de belasting, als bedoeld in art. 1, sub a, wordt geheven, is de oppervlakte van het onroerend goed aan het begin van het belastingjaar zoals vermeld in de kadastrale leggers, waarbij onroerende goederen die belenden aan verharde of verbeterde wegen, met uitzondering van bos- en heidegronden, worden ingedeeld in klasse I: die niet belenden aan verharde of verbeterde wegen, welke een recreatieve bestemming hebben, worden ingedeeld in klasse II; die niet vallen onder klasse I of klasse II, worden ingedeeld in klasse III; 2.. De grondslag, waarnaar de belasting, als bedoeld in art. 1, sub b, wordt geheven is: voor de gebouwde onroerende goederen het aantal gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan, welke in hoofdzaak zijn bestemd of worden gebruikt voor woondoeleinden, waarbij gebouwde onroerende goederen worden ingedeeld in: klasse I, indien zij zijn gelegen op minder dan 50 meter afstand van het riool; klasse II, indien zij zijn gelegen op meer dan 50 meter afstand van het riool; voor de ongebouwde onroerende goederen de oppervlakte van het onroerende goed aan het begin van het belastingjaar zoals vermeld in de kadastrale leggers, met dien verstande, dat bij de berekening van de oppervlakte alleen die oppervlakte wordt meegenomen, waarop ingevolge het recreatieplan Krachtighuizen een recreatieve bestemming rust.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel