Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 20

Weigeringen woonvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. deze betrekking heeft op de aanpassing van een woonwagen en de technische levensduur van deze woonwagen korter is dan 5 jaar gerekend vanaf de datum van aanvraag. deze betrekking heeft op de aanpassing van een woonwagen en de standplaats van deze woonwagen binnen 5 jaar gerekend vanaf de datum van de aanvraag voor opheffing in aanmerking komt.

Rechtspraak bij dit artikel