Voor de berekening van het subsidie, bedoeld in artikel 2 komen in aanmerking:
elk lesuur van tenminste 45 minuten, gedurende welke het godsdienst- en/of vormingsonderwijs gegeven wordt;
de lessen, welke gevolgd worden door tenminste 6 leerlingen.
de lessen, welke gegeven worden door personen, die verbonden zijn aan de in artikel 2 bedoelde instellingen en naar het oordeel van burgemeester en wethouders de bevoegdheid bezitten, welke voor het geven van godsdienst- en/of vormingsonderwijs nodig is;
de lessen, welke uitsluitend bezocht worden door leerlingen van wie de ouders, voogden of verzorgers er geen bezwaar tegen maken, dat hun kind godsdienst- en/of vormingsonderwijs ontvangt.