Het recht op een woonvoorziening vervalt indien:
de persoon met beperkingen is verhuisd vanuit een woning
waarin hij bij normaal gebruik geen belemmeringen ondervond,
tenzij er een belangrijke reden voor de verhuizing bestond;
of
de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is
verleend door het college; of
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
ondervonden (naar objectief medische maatstaf aanwezige)
beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door de persoon bewoonde woning; of
de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
ondervonden;
voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
gebruikte materialen;
voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
woningbouw;
de woonvoorziening als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub a
aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd,
gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
een onverwacht optredende noodzaak.
HOOFDSTUK 6: › Paragraaf 1
Artikel 6.7
Weigeringsgronden woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening Wmo 2012 (Verordening maatschappelijke ondersteuning)