lid 1: De tekst van artikel 19 van de wet luidt:
Tot uiterlijk 14 dagen nadat het ter beschikking komen van een woonruimte ingevolge artikel 18, eerste lid, is gemeld, kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar een of meer woningzoekenden voordragen die behoren tot de ingevolge artikel 12, tweede lid, aangewezen categorieën.
Bij het opstellen van de voordracht slaan burgemeester en wethouders acht op de rangorde naar urgentie, zoals die ingevolge artikel 12, tweede lid, is vastgesteld.
De tekst van artikel 20 van de wet luidt:
In afwijking van artikel 19, eerste lid, doen burgemeester en wethouders geen voordracht, indien aan de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende op grond van de ingevolge de artikelen 9, 10 en 11 geldende eisen een huisvestingsvergunning kan worden verleend en er voor het doen van een voordracht geen in aanmerking komende woningzoekenden zijn ingeschreven wier behoefte aan woonruimte urgenter is dan die van de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende.
De tekst van artikel 21 van de wet luidt:
Burgemeester en wethouders kunnen de voordracht intrekken, indien de voordracht niet leidt tot de totstandkoming van een overeenkomst tussen de eigenaar en een der voorgedragen woningzoekenden, uit kracht waarvan die woningzoekende gerechtigd is de betrokken woonruimte voor bewoning in gebruik te nemen.
Gelijktijdig met de intrekking van een voordracht overeenkomstig het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar opnieuw een of meer woningzoekenden voordragen die behoren tot de ingevolge artikel 12, tweede lid, aangewezen categorieën. Artikel 19, tweede lid, artikel 20 en het eerste lid van dit artikel zijn van toepassing.
In afwijking van het tweede lid kan geen nieuwe voordracht meer worden gedaan, zodra 10 weken zijn verstreken nadat het ter beschikking komen van de woonruimte ingevolge artikel 18, eerste lid, is gemeld.
lid 3 sub b: Naar oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen voor weigering van verhuur van de woonruimte aan de voorgedragen woningzoekende kan voorkomen als er sprake is van:
Eerder wangedrag (indien het een woningzoekende (en/of leden van zijn of haar huishouden) betreft die in een vorige of huidige woonsituatie in tenminste de afgelopen 5 jaar zeer ernstig inbreuk op het woongenot van omwonenden heeft gemaakt, waarbij ernstig rekening moet worden gehouden met herhaling en/of sprake is of is geweest van huurschuld).
In uitzonderlijke gevallen (bijv. bij een te voorziene huisuitzetting) meldt de verhuurder bij de gemeente dat hij voornemens is een huurcontract te weigeren en op welke grond. Alvorens de verhuurder overgaat tot het weigeren van de woonruimte aan de voorgedragen woningzoekende, voert de corporatie een gesprek met de woningzoekende waarin hij/zij geïnformeerd wordt over de ‘voorziene gevolgen’ voor de woningzoekende bij het aangaan van het huurcontract. Na dit gesprek en na melding bij de gemeente wordt de weigering schriftelijk en met redenen omkleed ter kennis van betrokkenen gebracht. Wanneer de woningzoekende het niet eens is met de beslissing kan hij/zij dit aanhangig maken bij de klachtencommissie van de verhuurder en/of bij de kantonrechter.
lid 7: Hoofstuk IV van de wet regelt op uitputtende wijze de vordering van woonruimte.
Daarover behoeft in de huisvestingsverordening niets naders geregeld te worden.
De in de verordening gegeven voordrachtsregeling kan beschouwd worden als een vorm van het in artikel 40, lid 1, van de wet voorgeschreven overleg met de eigenaar. Dit moet dan wel nadrukkelijk worden aangegeven.
Vordering van woonruimte waarop de voordrachtsregeling niet van toepassing is of van gebouwen dient wel voorafgegaan te worden van een vergelijkbare of andere vorm van overleg met de eigenaar.
Dit geldt ook voor woonruimten waarvan de leegstand overeenkomstig artikel 2.7.2 is gemeld. Dit zal zich immers beperken tot woonruimten die niet onder de meldingsplicht van artikel 2.7.1 en daarmee onder de voordrachtsregeling vallen.