Artikel 3.2.1 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming
1. Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst van alle benodigde gegevens.
2. Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.
3. Het college houdt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid de beslissing op de aanvraag om een tegemoetkoming aan indien er tevens een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van een sociaal-medische indicatie is ontvangen en er overigens geen reden bestaat de tegemoetkoming te weigeren.
4. De aanhouding als bedoeld in het derde lid eindigt op het moment dat er een beslissing op de bedoelde aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van een sociaal-medische indicatie is genomen. Artikel 3.2.2 Weigeringsgrond
1. Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 1.22 van de wet.
2. De tegemoetkoming wordt eveneens geweigerd als er een voorliggende voorziening bestaat. Artikel 3.2.3 Ingangsdatum van de tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen.
2. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden.
3. Het college kan in uitzonderingsgevallen, zulks naar het oordeel van het college, afwijken van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 3.2.4 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend
1. De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een kalenderjaar.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. Artikel 3.2.5 Omvang van de kinderopvang
1. Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.
2. In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg. Artikel 3.2.6 Inhoud van de beschikking
Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat in ieder geval:
1. de vaststelling tot welke van de doelgroepen de ouder behoort als bedoeld in de Wet, artikel 1.22.
2. de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;
3. de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt;
4. de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;
5. de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;
6. de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;
7. de verplichtingen van de ouder. Artikel 3.2.7 De bevoorschotting van de tegemoetkoming
1. De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uitbetaald.
2. Bij machtiging door ouder/verzorger wordt de vergoeding rechtstreeks bevoorschot aan het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen.
3. Het college kan nadere regels en voorschriften stellen over de wijze van bevoorschotting.