In deze verordening wordt verstaan onder:
de wet: De Gezondheids-en welzijnswet voor dieren;
houder: degene die als houder of eigenaar van dode gezelschapsdieren
ingevolge de wet verplicht is daarvan aangifte te doen;
destructiemateriaal: krachtens artikel 81h, eerste lid, onder a van
de wet aangewezen dode gezelschapsdieren;
gezelschapsdieren: dieren die de mens in of rond het huis houdt en
verzorgt om zichzelf te plezieren. Tot deze categorie behoren onder
meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en
vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders,
eenden, ganzen en fazanten behoren tot de categorie
gezelschapsdieren indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden
is zoals de productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of
huiden. Landbouwhuisdieren zoals runderen, schapen, paarden
(dwerg)geiten, varkens, hangbuikzwijnen en herten worden niet
gerekend tot de categorie gezelschapsdieren.