Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening 2011 Gemeente
Lansingerland”.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 juni 2011
De voorzitter, De griffier,
A. ALGEMENE TOELICHTING
Bij het opstellen van deze verordening is rekening gehouden met de
'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. De bepalingen van de
Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek zijn als
uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen
met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten,
ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt
gemaakt. Al in een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
reeds gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten
bij burgers genereert. In het kader van deregulering is ervoor gekozen
om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
nemen.
De huidige wijziging van de verordening houdt onder meer verband met de
inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna
te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
(hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht
(hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen:
Mor).
De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren
van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:
de bouwvergunning;
de aanlegvergunning;
de sloopvergunning;
de monumentenvergunning;
de milieuvergunning;
de kapvergunning.
De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt
hiervan een onderdeel. De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de
Wabo is de “één loket gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een
nader te bepalen moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te
vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten
(bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de
erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning
voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek
worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één
bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de
aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming.
Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te
nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.
In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt.
Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de
provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere
categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
omschreven.
Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning
en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De
toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn
volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de
betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een
procedurele integratie van de verschillende toestemmings-stelsels. De
inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de
verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader
van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke
toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even
zwaar.
In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de
reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de
Awb. Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig
zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning
ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te
delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een
afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een
onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere
onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke
verbondenheid”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in
artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de
activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit
die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit
als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo.
Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen
een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
handeling op te knippen in deelvergunningen. Een omgevingsvergunning
voor een deelproject geeft de bevoegdheid het deelproject ook
daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld behoefte
bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden
wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning
voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd
worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van
de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een
omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het
gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke
rechtsbeschermingsprocedure open staat. Daarnaast heeft de aanvrager de
mogelijkheid om een gefaseerde omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij
bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De beoordeling in de
eerste fase is erop gericht te onderzoeken of één van de door de
aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het oprichten en
inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en
een volledige vergunning is verkregen. De tweede fase
omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen die niet in
een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking
eerste fase kan een financieel risico voor de aanvrager worden beperkt.
Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle indieningsvereisten te voldoen.
Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij de
beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten
(de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van
de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag
worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking
is genomen een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend.
Beide beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen
staat rechtsbescherming op grond van de Awb open.
De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert
volledig in de omgevings-vergunning, omdat het om plaatsgebonden
activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het
verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening
aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig
opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een
extra overweging voor het volledig integreren van de
monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van
de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening
van de bouwvergunning of de aanlegvergunning.
De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels.
Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke
toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke
monumenten is in de verordening bepaald.
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING