Het college kan op verzoek van een belanghebbende, die naar
redelijkerwijs valt te verwachten in aanmerking komt voor
nadeelcompensatie en die een spoedeisend belang heeft, vooruitlopend
op zijn besluit als bedoeld in de artikelen 6 of 7 besluiten een
voorlopige voorziening te treffen.
Een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend vanaf
de start van het bouwproject.
Met het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt geen recht op
nadeelcompensatie erkend of verleend.
Indien de voorlopige voorziening van financiële aard is, dient
belanghebbende, alvorens het voorschot wordt uitgekeerd,
schriftelijk de verplichting te aanvaarden het eventueel te veel of
ten onrechte ontvangen bedrag terug te betalen indien blijkt dat:
a. op grond van het besluit van het college omtrent het verzoek
om nadeelcompensatie en de bij dat besluit behorende gegevens blijkt dat het
voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt.
b. op grond van nieuwe gegevens blijkt dat de getroffen
voorlopige voorzieningen geheel of gedeeltelijk ten onrechte is
getroffen.
Terugbetaling als bedoeld in het vierde lid van dit artikel dient te
geschieden vermeerderd met de wettelijke rente conform art. 6:120 BW
vanaf de dag dat de belanghebbende over het bedrag heeft kunnen
beschikken.
Bij het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een
voorschot kan het college een zekerheidsstelling verlangen in de
vorm van een hypotheek of een bankgarantie.
Een ingediend verzoek om een voorlopige voorziening zal, als de
periode van indiening van een verzoek om nadeelcompensatie ingegaan
is, tevens worden aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie en
als zodanig in behandeling worden genomen.