a. De raad stelt jaarlijks
bij de begroting een bedrag beschikbaar voor de rekenkamer. b. De directeur
van de rekenkamer is bevoegd binnen het bij de begroting beschikbaar
gestelde budget uitgaven te doen ten behoeve van de uitvoering van zijn
taken. c. Ten laste van het in het voorgaande lid bedoelde budget worden de
kosten gebracht van de: • directeur rekenkamer; • plaatsvervangend
directeur; • onderzoeksmedewerkers; • externe deskundigen; • mogelijke
overige uitgaven die de directeur van de rekenkamer nodig oordeelt voor de
uitvoering van zijn taak.