Naar hoofdinhoud

Artikel 9:

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand 2011

1.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op: Artikel Categorie Verlaging Duur verlaging Bijzonderheden a. 1 10% 1 kalendermaand b. 2 10% De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of duurt voort tot de maand waarin belanghebbende aantoont dat de verplichting is nagekomen. Heroverweging van de verlaging vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van de bijstand. c. 3 20% 1 kalendermaand d. 4 20% De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of duurt voort tot de maand waarin belanghebbende aantoont dat de verplichting is nagekomen. Heroverweging van de verlaging vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van de bijstand. e. 5 30% De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of duurt voort tot de maand waarin belanghebbende aantoont dat de verplichting is nagekomen. Heroverweging van de verlaging vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van de bijstand. f. 6 100% 1 kalendermaand 1.Het college neemt bij toepassing van het eerste lid de bepalingen van artikel 18 WWB in acht; Indien artikel 9 van de wet niet op belanghebbende van toepassing is, maar belanghebbende wel gedragingen vertoont conform artikel 8 categorie 6 lid d, wordt de maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet. Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 38, tweede lid van de Bbz, niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van de bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, kan met toepassing van artikel 18 lid 2 van de wet een maatregel worden opgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm, onverminderd artikel 2, tweede lid 4.Indien de maatregel niet kan worden toegepast omdat de uitkering als gevolg van de gedraging is beëindigd wordt de verlaging toegepast op het moment dat binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een beroep op de bijstand wordt gedaan; 5.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, of artikel 38, tweede lid van de Bbz, of het verlenen van onvoldoende medewerking en het verstrekken van onjuiste gegevens bedoeld in artikel 54 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 6.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel, bedoeld in het vorige lid, op de volgende wijze vastgesteld: 1e bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- netto: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand; 2e bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,- netto: 30% van de bijstandsnorm gedurende een maand; 3e bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: netto: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand; 4e bij een benadelingsbedrag van € 4000,- netto of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, bedraagt de maatregel 30% van de bijstandsnorm. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,vierde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel