De ontheffing wordt verleend aan diegene, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van deze verordening een aanvraag heeft ingediend.
De ontheffing wordt verleend overeenkomstig de in artikel 6 genoemde toetsingsgronden.
Aan een krachtens deze verordening verleende ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist.
Een ontheffing waarvoor een in het kader van de Flora- en Faunawet een ontheffing benodigd is, vormt de ontheffing met de ontheffing een onverbrekelijk geheel.
De ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
indien ter verkrijging daarvan onjuiste gegevens zijn verstrekt;
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming, waarvoor de ontheffing is vereist;
indien de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
indien de ontheffinghouder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.
Een ontheffing als bedoeld onder lid 1 van dit artikel komt van rechtswege te vervallen, indien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden daarvan geen of niet volledig gebruik is gemaakt.
Op verzoek van de ontheffinghouder kan de termijn als bedoeld in het vorige lid worden verlengd.