Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.

Artikel 2:28

Exploitatie horecabedrijf

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2011

1.. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het geldend bestemmingsplan. 3.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4.. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan horecabedrijven bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet indien zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en – handel hebben voorgedaan in of bij het horecabedrijf, dan wel de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 5.. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vierde lid onder a. 6.. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 7.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het zesde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. indien het terras, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 8.. Het bepaalde in het zesde en zevende lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel