Onverminderd het bepaalde in artikel 16e van de verordening kan het college de vergunning intrekken, indien:
de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat het in stand houden van de vergunning leidt tot een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het gebouw en/of de omgeving van het gebouw, waarop de vergunning betrekking heeft.