Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 4

Artikel 2.4.20

Overlast door honden Loslopende honden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Dordrecht

1. Loslopende honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband en een identificatiekenmerk of ander onderscheidingsteken, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of houder van een blindengeleidehond of een soho-hond. 3. Verontreiniging door honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht de uitwerpselen van die hond, die: op de weg, op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, op andere door het college aangewezen plaatsen zijn terechtgekomen, te verwijderen. 4. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het derde lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 5. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het derde lid gesteld gebod geldt niet voor de eigenaar of houder van een blindengeleidehond of een soho-hond. 6. Het college kan bij ter openbare kennis te brengen besluit plaatsen en/of tijdstippen aanwijzen waar honden los mogen lopen en/of waar de ruimplicht van de uitwerpselen niet geldt. 7. Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond aan de eigenaar of de houder opleggen; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat burgemeester en wethouder de eigenaar of houden hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond aan de eigenaar of de houder opleggen. 8. In het zevende lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren (Stcr. 1993, nr.11) kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn die niet langer is dan 1,50 meter, gemeten van hand tot halsband. 9. Het in het zevende lid gesteld verbod is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel