**5.2.1.** In dit hoofdstuk worden sneltoetscriteria gegeven voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen, dakramen, zonnepanelen en –collectoren, spriet-, staaf¬- en schotelantennes, rolhekken, luiken en rolluiken. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: • Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde sneltoetscriteria, of;
• Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht, of;
• Het bouwwerk een door de gemeente aangewezen trendsetter is op hetzelfde woningtype in dezelfde straat of;
• Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de gemeente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woonwijk. Als er voor een bepaald type bouwplan geen sneltoetscriteria zijn opgenomen, zal het bouwplan door de welstandscommissie getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte en/of de algemene welstandscriteria, opgenomen in de welstandsnota. Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria, maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen, is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: “Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid van de genoemde criteria”. Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd te worden waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op art. 4:84 AWB. Tenzij anders is aangegeven, worden de afstanden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde gebouw) gemeten.
**5.2.2.** Omschrijving en uitgangspunten
Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instan¬tie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen.
De gemeente streeft in gebieden naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren, die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Ten behoeve van de aanbouw dient de overgang naar/scheiding met de naastliggende hoofdbebouwing gelijkvormig en dui¬delijk aangegeven te worden (bijvoorbeeld door een gemetselde muurdam). Aan- of uitbouwen die niet voldoen aan de sneltoetscriteria zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant
Een aan- of uitbouw aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
0 geen aan- of uitbouw aan een bestaande aan- of uitbouw
Plaatsing en aantal:
0 afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2,50 m.
0 de aan- of uitbouw aan de voorgevel mag de zijgevellijn niet overschrijden, geen hoekaanbouw
0 er is geen andere aan- of uitbouw aan de zelfde gevel aanwezig Maatvoering:
0 hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag of 0,3 m boven de vloer van de 1ste verdieping van hoofdgebouw
0 diepte aanbouw zijgevel maximaal 5.00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel
0 oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zijerf is bebouwd 0 diepte erker maximaal 1,50 m, breedte erker maximaal 50% van de oorspronkelijke voorgevel met een maximum van 4 meter
0 de voorkant van de erker staat minimaal 3 meter uit de voorste perceelsgrens Vormgeving:
0 vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond
0 plat afgedekt
0 erker (boven de eventueel aanwezige borstwering) transparant uitgevoerd (glas), bij erker op perceelsgrens mag gemetselde muur op erfgrens (muurdam)
0 hoogte (eventuele) borstwering in overeenstemming met hoogte borstwering bestaande ramen
0 geen overmaat aan detailleringen
Materiaal en kleur:
0 materialen, kleuren gevels en profilering kozijnen zoveel mogelijk gelijk aan materiaal en kleurgebruik gevels en profilering kozijnen hoofdgebouw Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen aan de achterkant en de niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant
Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
0 geen aan- of uitbouw aan bestaande aan- of uitbouw Plaatsing en aantal:
0 afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2,5m.
0 bij een hoekaanbouw dienen de achter- en zijaanbouw op elkaar aan te sluiten
0 er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig
Maatvoering:
0 hoogte in ieder geval niet hoger dan eerste bouwlaag of 0,3 m boven de vloer van de 1ste verdieping van hoofdgebouw
0 breedte maximaal 100% van de breedte oorspronkelijke achter- of zijgevel van hoofdgebouw, tenzij sprake is van een hoekaanbouw.
0 diepte maximaal 5,00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke gevel
0 oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zij- en achtererf is bebouwd
Vormgeving:
0 vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond
0 plat afgedekt
0 geen kap of doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over aan- of uitbouw, mits er sprake is van een voor dat woningtype aangewezen trendsetter
0 geen overmaat aan detailleringen
Materiaal en kleur:
0 materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw 0 bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens of een penant met een minimale breedte van 0,3 meter
**5.2.3.** Omschrijving en uitgangspunten
Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen).
De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting.
Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant
Een bijgebouw of overkapping aan de voorkant en naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 bijgebouwen of overkappingen op het voorerf zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
0 plaats van de overkapping is afgestemd op de plaats van het hoofdgebouw en de aanwezige bijgebouwen (bijvoorbeeld voor de garage of tegen de zijgevel van het hoofdgebouw) Plaatsing en aantal:
0 geen bijgebouw of overkapping op het voorerf (voor advies naar de welstandscommissie)
0 afstand achter de voorgevellijn is minimaal 2,50 m voor bijgebouwen
0 afstand voor overkappingen is minimaal 1,00 m. achter de voorgevelrooilijn
0 voor vrijstaande bijgebouwen is de afstand tot de zij- of achtergevel van het hoofdgebouw minimaal 2.00 m.
0 niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf Maatvoering:
0 hoogte maximaal 3 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein
0 oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd Vormgeving:
0 vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekig plattegrond
0 overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en/of bijgebouw en minimaal aan twee zijden open.
0 overkappingen zijn plat afgedekt en sluiten aan op of onder de goot van het gebouw waartegen deze wordt aangebouwd
0 geen overmaat aan detailleringen. Materiaal en kleur:
0 materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen.
0 bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant en niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant
Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant of aan de niet naar de openbare ruimte gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 overkappingen in de vorm van een veranda zijn op het achtererf toegestaan aan een bestaande aan- , uitbouw of bijgebouw Plaatsing en aantal:
0 afstand van tot voorgevellijn minimaal 2,50 m voor bijgebouwen
0 voor overkappingen minimaal 1,00 m. achter de voorgevelrooilijn
0 niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf Maatvoering:
0 hoogte voor overkappingen maximaal 3 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein
0 bij toepassing van kap op het bijgebouw goothoogte maximaal 3 m. en nokhoogte maximaal 5 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein
0 oppervlakte maximaal 30 m2 tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd Vormgeving:
0 vormgegeven in één bouwlaag
0 overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.
0 geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleur:
0 materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwand.
**5.2.4.** Omschrijving en uitgangspunten
Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Om¬dat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand, moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet wor¬den verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel, als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen, vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om een andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Het uitgangspunt van de sneltoetscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate van) detaillering zijn voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. Wijzigingen in de gevel, die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving, zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Welstandscriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen
Een kozijn- of gevelwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een kozijn- of gevelwijziging niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 nieuwe raamopeningen in de voorgevel of in de naar de openbare ruimte gekeerde zijgevel zullen altijd worden voorgelegd aan de welstandscommissie.
Maatvoering:
0 oorspronkelijke maatvoering kozijn (en ramen) behouden
0 diepte van negge gelijk aan bestaande situatie
0 de oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden
Vormgeving:
0 gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel
0 indeling raamhout behouden
0 toegevoegde of vervangende beweegbare delen of ventilatieroosters zijn mogelijk
0 bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in stand laten
Materiaal en kleur:
0 materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw
0 of stalen kozijn en raamhout vervangen door aluminium als afmetingen en profilering overeenkomen
0 of kunststof bij vervanging van houten kozijnen als bestaande profilering en oppervlaktestructuur behouden blijven.
**5.2.5.** Omschrijving en uitgangspunten
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend.
Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Welstandscriteria voor dakkapellen aan de voorkant of naar het openbaar gebied gekeerde zijkant
Een dakkapel aan de voorkant of naar het openbaar gebied gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
0 geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw Plaatsing en aantal:
0 bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt
0 bij dakvlakken over meerdere verdiepingen alleen dakkapellen op het onderste deel van het dakvlak
0 bij individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of uitgelijnd op geleding voorgevel
0 minimaal 1.00 m. dakvlak boven en ter weerszijden van de dakkapel, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)
0 afstand tot goot minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m.
0 niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak Maatvoering:
0 hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim
0 breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, gemeten tussen het midden van de woningscheidende bouwmuren of einde dakvlak met overstekken (bij hoekkepers gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) Vormgeving:
0 plat afgedekt
0 geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten. Boeiboord maximaal 25 cm hoog Materiaal en kleur:
0 materiaal- en kleurgebruik zijwanden, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw
0 geen toepassing van dichte panelen in het voorvlak; bij binnenwanden eventueel een ‘dubbele stijl’ toepassen Welstandscriteria voor dakkapellen aan de achterkant of niet naar het openbaar gebied gekeerde zijkant
Indien een dakkapel aan de achterzijde of niet naar het openbaar gebied gekeerde zijkant niet voldoet aan de vereisten voor vergunningvrij bouwen en het is ook géén aangewezen trendsetter wordt deze voorgelegd aan de welstandscommissie.
Zadeldak met hellingshoek <30°
Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30°, welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet goed mogelijk. Sneltoetscriteria voor dakkapellen zijn hier niet van toepassing; plaatsing zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing valt dan onder een reguliere vergunningsprocedure en zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Zadeldak met hellingshoek > 30°
De algemene sneltoetscriteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende sneltoetscriteria. Zadeldak met wolfseind
De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Zadeldak met vliering
De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak. Schild-, tent- of piramide dak
Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dient respect te zijn voor de hoekkepers en dient minimaal één meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. Mansardedak
Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden. Lessenaardak
Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte, gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30°, is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Asymmetrisch dak
Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak.
In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermee een goed en evenwichtig beeld. Welstandscriteria voor dakopbouwen
Onder dakopbouwen worden verstaan toevoegingen aan de bouwmassa die ontstaan door het verhogen van het dak. Hierdoor verandert het silhouet van het dak. De nok van het dak wordt geheel of gedeeltelijk verhoogd, om de onderliggende zolder als verblijfsruimte te kunnen inrichten. Algemeen 0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
0 geen dakopbouw op bijgebouw, aan- of uitbouw
Plaatsing en aantal
0 de dakopbouw richt zich op de achterzijde. Dit houdt in dat aan de voorzijde (straatkant) het dakvlak doorgetrokken wordt en aan de achterzijde de glasstrook boven in het dakvlak zichtbaar is.
0 een dakopbouw per woning
Maatvoering
0 kozijnhoogte glasstrook achterzijde max. 1,2 m
**5.2.6.** Omschrijving en uitgangspunten
Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buur erf of van de openbare weg.
Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is. Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om andere erfafscheidingen dan de woongebieden. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling.
Voor zover erfafscheidingen niet vergunningvrij zijn zullen ze worden voorgelegd aan de welstandscommissie
**5.2.7.** Omschrijving en uitgangspunten
Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen één dakvlak toch storend zijn.
Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren.
Welstandscriteria voor dakramen
In de meeste gevallen zullen dakramen vergunningvrij zijn. In die gevallen waarbij geen sprake is van vergunningvrije dakramen zal de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
**5.2.8.** Omschrijving en uitgangspunten
Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk zijn. Zonnecollectoren of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of -collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand ten opzichte van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwaanvragen. Alleen in beschermde stads- en dorpsgezichten, op monumenten of beeldbepalende panden lijkt een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of -panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen ze echter heel storend werken. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.
Welstandscriteria voor zonnepanelen of -collectoren
In de meeste gevallen zullen zonnepanelen of -collectoren vergunningvrij zijn. In die gevallen waarbij geen sprake is van vergunningvrije zonnepanelen of -collectoren zal de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
**5.2.9.** Omschrijving en uitgangspunten
Het gaat hier om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en/of ontvangen van radio-, televisie- en andere communicatiesignalen. Onder spriet- of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde storend kan zijn voor het straatbeeld. De gemeente streeft dan ook naar plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw, in ieder geval onzichtbaar vanaf de weg of openbaar groen. Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op/aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te blijven ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen ze storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen geen zwaar stempel op de omgeving drukken. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Het heeft de voorkeur een antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn te plaatsen. Daarnaast is de maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. De antenne dient altijd ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw of het erf waarop deze geplaatst wordt en in ieder geval niet de boventoon te voeren.
Welstandscriteria voor spriet-, staaf- en schotelantennes
In de meeste gevallen zullen spriet-, staaf- en schotelantennes vergunningvrij zijn. In die gevallen waarbij geen sprake is van vergunningvrije spriet-, staaf- en schotelantennes zal de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
**5.2.10.** Omschrijving en uitgangspunten
Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen.
Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningvrij gesteld. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en -vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden.
Welstandscriteria voor rolhekken of (rol)luiken
Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Algemeen:
0 in geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
Plaatsing:
0 aan de binnenzijde van de gevel minimaal 0,50 m achter de pui, mits het rolluik voor minimaal 70% bestaat uit glasheldere doorkijkopeningen
0 ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel