Eerste lid
Dit lid bevat geeft globaal aan wanneer een maatregel dient te worden opgelegd, hetgeen in het vervolg van de verordening nader wordt uitgewerkt.
Tweede lid
In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.
Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.
Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:
bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;
sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;
bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan ook plaats vinden als dit in het belang van het welslagen van het participatietraject van de belanghebbende is. De belanghebbende dient in dit geval eerst in te stemmen met bepaalde concrete afspraken over het actief deelnemen aan het vervolg van het traject. Indien de belanghebbende deze afspraken niet nakomt, zal opnieuw een maatregel worden opgelegd waarbij geen rekening wordt gehouden met de in deze alinea bedoelde persoonlijke omstandigheden. De recidivebepaling als genoemd in artikel 14 van deze verordening kan dan ook van toepassing zijn.
Derde lid
In het kader van een blijvende weigering van een uitkering in de zin van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid van de IOAZ wordt het tweede lid buiten toepassing gelaten. De belanghebbende kan bij een blijvende weigering een, al dan niet aanvullende, bijstandsuitkering aanvragen op grond van de WWB.
HOOFDSTUK 8
Artikel 2