Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 26 september 2011.
voorzitter,
griffier,
ALGEMENE TOELICHTING
Per 1 januari 2010 is de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) in werking getreden waardoor de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en (voor een deel) het Bbz 2004 hebben gekregen.
Op 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering in het kader van genoemde wettelijke regelingen ingevoerd, zoals dit reeds van toepassing was op het WWB-inkomensdeel. Op grond van de Wet BUIG zijn de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’, uitgezonderd de financiering van de kosten van het levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen, alsmede van bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004, gebundeld met het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.
Daarnaast dient de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot onder meer de verlaging en de tijdelijke of blijvende weigering van uitkeringen op grond van de IOAW en de IOAZ als gevolg van verwijtbaar handelen van de belanghebbende (maatregelenverordening), alsmede met betrekking tot de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW, IOAZ en WWIK in het kader van het financiële beheer (handhavingsverordening).
In de WWB, IOAW en de IOAZ staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger om in zijn levensonderhoud te voorzien centraal. Pas als men hiertoe niet in staat blijkt te zijn kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning van de overheid. Er is daardoor meer nadruk komen te liggen op de vangnetgedachte van de inkomensvoorzieningen en de rechten en plichten van de belanghebbende.
Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de bijstandsnorm (WWB) of de toepasselijke grondslag (IOAW en IOAZ) en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.
Op grond van artikel 18, tweede lid van de WWB, artikel 20, tweede lid van de IOAW en artikel 20, eerste lid van de IOAZ is het college gehouden de inkomensvoorziening te verlagen indien de belanghebbende de daar bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Voor wat de WWB betreft is verlaging van de bijstandsuitkering de enige sanctie. Daarnaast is het college op grond van artikel 20, tweede lid van de IOAW en artikel 20, eerste lid van de IOAZ om een uitkering op grond van deze wetten tijdelijk of blijvend, al dan niet volledig, te weigeren als de belanghebbende zich niet of onvoldoende houdt aan in deze artikelen bedoelde verplichtingen. Eén en ander moet door de gemeenteraad bij verordening worden geregeld ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de WWB, artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de IOAW en artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de IOAW.
Er is voor gekozen om vanwege praktische redenen de bestaande Maatregelenverordening Wet werk en bijstand als uitgangspunt te nemen en door technische en tekstuele aanpassingen daarvan te combineren met een aantal nieuwe bepalingen te komen tot een nieuwe Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ.
De Wet Inburgering (WI) geeft aan dat indien een uitkeringsgerechtigde inburgeringplichtige een inburgeringstraject krijgt aangeboden en deze uitkeringsgerechtigde ook arbeidsplichtig is er een gecombineerd duaal traject, gericht op re-integratie en inburgering, aangeboden moet worden. Op grond van artikel 29 van de WI wordt door het college een bestuurlijke boete opgelegd als men zich niet of onvoldoende houdt aan een verplichting met betrekking tot de inburgeringcomponent van het duale traject. De WI kent derhalve niet het opleggen van een maatregel als sanctie. Indien een aan de re-integratiecomponent van het duale traject verbonden verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen kan wel een maatregel op grond van deze verordening worden opgelegd omdat op deze component het regime van de WWB van toepassing is.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING