Indien een belanghebbende, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 12, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dit is het bedrag aan bijstand dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging onnodig eerder of langer nodig heeft.
Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoort in ieder geval het te snel interen van een vermogen, waaronder het doen van schenkingen, dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.
De in het eerste lid bedoelde maatregel bedraagt maximaal 30% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot €4000,- of maximaal 100% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van €4000,- of meer.
Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid nogmaals een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont wordt een maatregel opgelegd van maximaal 100% van de toepasselijke bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot €4000,- of een maatregel van maximaal 100% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende twee maanden bij een benadelingsbedrag van €4000,- of meer.
Wanneer de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij reeds sprake was van recidive, wederom een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont wordt een maatregel opgelegd van maximaal 100% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende twee maanden bij een benadelingsbedrag tot €4000,- of een maatregel van maximaal 100% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag gedurende drie maanden bij een benadelingsbedrag van €4000,- of meer.
Bij het opnieuw betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan binnen twaalf maanden na de tweede recidive blijft het op te leggen percentage van de maatregel maximaal 100% van de bijstandsnorm of de toepasselijke grondslag, maar kan deze steeds met een maand extra worden verlengd.
Voor de toepassing van het vierde, vijfde en zesde lid wordt het besluit waarbij een maatregel is opgelegd gelijkgesteld aan het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening.
HOOFDSTUK 4
Artikel 18