In geval van een gedraging van de eerste categorie wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
In geval van een gedraging van de tweede categorie wordt een maatregel opgelegd van maximaal 30% van de toepasselijke bijstandsnorm dan wel de toepasselijke grondslag.
In geval van een gedraging van de derde categorie wordt een maatregel opgelegd van maximaal 100% van de toepasselijke bijstandsnorm dan wel de toepasselijke grondslag.
Voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid wordt het besluit waarbij een maatregel is opgelegd gelijkgesteld aan het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 4, tweede lid van deze verordening.
HOOFDSTUK 2
Artikel 12