1. Indien het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB, artikel 78s, derde en vierde lid van de WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag en bedraagt:
maximaal 30% van de toepasselijke bijstandsnorm dan wel de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 4000,-;
maximaal 100% van de toepasselijke bijstandsnorm dan wel de toepasselijke grondslag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer.
2. Indien er sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ, maar het ten onrechte verstrekte bedrag uitsluitend het gevolg is van door het college gehanteerde stelsel van betaalbaarstelling van de uitkering wordt een maatregel opgelegd met inachtneming van het eerste lid.
3. Er wordt geen maatregel opgelegd zolang het Openbaar Ministerie een aangifte ter zake van een strafbaar feit onderzoekt, verband houdende met het niet nakomen van de verplichting van artikel 17 van de WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ door de belanghebbende.
4. Een maatregel blijft definitief achterwege als ter zake van de aangifte tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
HOOFDSTUK 2
Artikel 14