Naar hoofdinhoud
Het college weigert op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ de uitkering blijvend geheel of gedeeltelijk naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 658 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel