1. Indien een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit om op grond van deze verordening een verlaging toe te passen wegens schending van een verplichting als bedoeld in artikel 8, 10, 13, 14, 15 en 16 van deze verordening, nogmaals verwijtbaar een dergelijke gedraging begaat, dan wordt de verlaging door het college, onverminderd artikel 4 en artikel 5 van deze verordening, bepaald op:
100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende twee maanden in plaats van 100% van de bijstandsnorm of de grondslag voor de duur van een maand;
100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende drie maanden in plaats van 100% van de bijstandsnorm of de grondslag voor de duur van twee maanden.
2. Als een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit om een verlaging toe te passen voor een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet, opnieuw verwijtbaar een in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet vastgelegde gedraging begaat, wordt de verlaging door het college, onverminderd artikel 18, negende en tiende lid, van de Participatiewet, bepaald op 100% van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden in plaats van 100% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand.
Hoofdstuk 6
Artikel 18 Recidive
Artikel 18 Recidive
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015