Eerste lid
Er is voor gekozen om met het oog op de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid het sanctieregime van deze verordening en het sanctieregime van de Participatiewet zo veel mogelijk uniform te maken. In dit verband wordt het redelijk geacht om een aan artikel 18, tiende lid van de Participatiewet ontleende bepaling in deze verordening op te nemen opdat de verlaging of de weigering bij niet-geüniformeerde gedragingen op eenzelfde wijze kan worden gematigd als bij geüniformeerde gedragingen mogelijk is.
De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet dient het college een op te leggen verlaging of een opgelegde verlaging af te stemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als, naar het oordeel van het college, dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Het voorgaande geeft het college ruimte om ondersteuning in enige vorm te bieden en daarmee te voldoen aan haar zorgplicht.
De bijzondere omstandigheden die dringende redenen opleveren, kunnen gelegen zijn in maatschappelijk belang (hierbij kan worden gedacht aan onder meer vergroting schuldenproblematiek en huisuitzettingen), alsmede eerdergenoemde zorgplicht van het college in relatie tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin.
Tweede lid
Daarnaast geldt dat het college de bijstand tevens dient af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin in de zin van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij verminderde verwijtbaarheid van de belanghebbende. Er is voor gekozen om deze mogelijkheid specifiek in deze verordening vast te leggen.
Deze overwegingen zijn van overeenkomstige toepassing bij schending van een sanctiewaardige verplichting als bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid van de IOAW en artikel 20, eerste en tweede lid van de IOAZ.
Op grond de eerste twee leden van dit artikel kan het college besluiten een verlaging of een weigering op een lager niveau of voor een kortere duur vast te stellen.
Derde lid
Vanuit een oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) wordt het nastrevenswaardig geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging. Gelet op het voorgaande matigt het college de verlaging indien het verlagingonderzoek door toedoen van de gemeente langer dan zes maanden duurt. In een dergelijk geval wordt het percentage van de verlaging bepaald op 50% van de bijstandsnorm of de grondslag.
Hoofdstuk 7
Artikel 5
Matigen van een verlaging of een weigering
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015