Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7

Wijze van opleggen: ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015

Eerste lid Omdat grote waarde wordt gehecht aan een lik op stuk beleid wordt een verlaging of een weigering zo spoedig mogelijk uitgevoerd, maar nooit eerder dan na verzending van het besluit tot het opleggen van bedoelde verlaging of weigering. Er zijn twee manieren om de uitkering te verlagen als bedoeld in artikel 18, tweede en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid van de IOAW en artikel 20, eerste lid van de IOAZ: met terugwerkende kracht, door middel van herziening van de uitkering; of door middel van verlaging van het bedrag van de uitkering in de eerstvolgende maand(en). Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Het college hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de uitkering en het te veel betaalde bedrag aan uitkering terug te vorderen. Een verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm of de grondslag zoals die geldt in de maand, dan wel maanden, waarin deze sanctie wordt uitgevoerd. Tweede lid Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging of weigering met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Een sanctie met terugwerkende kracht opleggen is niet mogelijk wanneer: alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd; er geen duidelijke datum te koppelen is aan de gedraging van een belanghebbende; de sanctie het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag is (bijvoorbeeld nalaten voldoende te solliciteren). Vierde lid Op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet is het toegestaan dat het college een verlaging toedeelt aan verschillende maanden. Door het opnemen van deze bepaling wordt bewerkstelligd dat het voorgaande met betrekking tot zowel geüniformeerde als niet-geüniformeerde gedragingen op een uniforme wijze geschiedt. Er wordt gelet op het voorgaande afgezien van het opnemen van een mogelijkheid tot verrekening als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet in deze verordening. Bij bijzondere omstandigheden kan worden gedacht aan: vergroting schuldenproblematiek; (dreigende) huisuitzetting; afsluiting van gas en elektriciteit. Deze bepaling is ook van toepassing op een verlaging of een weigering die wordt opgelegd ingevolge de IOAW en de IOAZ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel