Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015

Een tweetal van de begripsomschrijvingen verdienen een nadere toelichting: Benadelingsbedrag (eerste lid, onderdeel b) Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete. Bijstandsnorm (eerste lid, onderdeel e) In dit onderdeel wordt aangegeven dat een verlaging wordt opgelegd over de bijstandsnorm, waaronder wordt verstaan de van toepassing zijnde wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag (artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Participatiewet). De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage bijstandsnorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, leidt dit tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Om dit te voorkomen is in dit onderdeel tevens vastgelegd dat de verlaging eventueel mede kan worden toegepast op de aanvullende bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12, van de Participatiewet. Het is niet mogelijk om op grond van deze verordening een verlaging toe te passen op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, van de Participatiewet, de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, van de Participatiewet en de individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, van de Participatiewet. Grondslag (eerste lid, onderdeel g) De Participatiewet werkt met verlagingen van de netto bijstand. In geval van de IOAW en de IOAZ wordt een bruto benadering gehanteerd. Het uitkeringssysteem van deze wetten is hier ook op ingericht. De verlagingen kunnen bij de IOAW en de IOAZ derhalve alleen worden toegepast op de grondslag. Dit neemt niet weg dat bij het bepalen van de hoogte van de maatregelen zo veel mogelijk aansluiting is gezocht bij de percentages en verlagingen met betrekking tot de netto bijstand op grond van de Participatiewet. Verlaging (eerste lid, onderdeel k) Het verlagen van de uitkering is in beginsel een reparatoire sanctie, gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de uitkering met de mate waarin de uitkeringsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. Indien de uitkering echter verlaagd wordt als sanctie na een zeer ernstige misdraging, dan is er, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), sprake van een punitieve sanctie, gericht op leedtoevoeging. Bij het opleggen van een punitieve sanctie dient met bepaalde rechtswaarborgen rekening te worden gehouden (waaronder de cautie, dat wil zeggen de mededeling aan belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen, alsmede het nemo tenetur beginsel, hetgeen inhoudt dat niemand aan het tot stand brengen van bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken). Weigering (eerste lid, onderdeel l) In afwijking van de Participatiewet kennen de IOAW en de IOAZ de mogelijkheid om een uitkering, tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren (respectievelijk artikel 20, eerste lid van de IOAW en artikel 20, tweede lid van de IOAZ). De uitkering wordt geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel