Uit hoofdstuk 2 van de Participatiewet vloeit voort dat er aan het recht op bijstand een aantal algemene verplichtingen verbonden zijn of daaraan door het college kunnen worden verbonden.
Op grond van artikel 55 van de Participatiewet is het college daarnaast bevoegd om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. De daartoe in het genoemde artikel geboden daartoe de mogelijkheid is beperkt tot een viertal categorieën, te weten:
verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en
verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
In deze verordening is de hoogte en de duur van de verlaging wegens schending van een ingevolge artikel 55 van de Participatiewet opgelegde individueel bepaalde verplichting voor alle vier categorieën uniform vastgesteld. Juist omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, dient het college echter wel altijd rekening te houden met de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Dit vloeit voort uit de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet waardoor het college gehouden is om de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende.
Artikel 15a. Schending verplichting meewerken aan ontzorgen
De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de bijstand te verlagen met toepassing van de maatregelenverordening als belanghebbende weigert mee te werken aan het ontzorgen zoals bedoeld in artikel 56a van de Participatiewet. Deze keuze is in overeenstemming met de bedoeling van de wet (TK 2019-2020, 35 483 nr. 3, blz.24)
Hoofdstuk 7
Artikel 15
Niet nakomen van verplichtingen in de zin van artikel 55 van de Participatiewet
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015