Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 1.

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Monumentenverordening

1.. Burgemeester en wethouders stellen een gemeentelijke monumentenlijst samen. Deze lijst geeft de plaatselijke aanduiding aan, de kadastrale aanduiding en tenaamstelling en een beschrijving van het monument waarbij zonodig de onderdelen worden genoemd waarop de bescherming met name is gericht. Zij kunnen, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2.. Op de voorbereiding van de aanwijzing is de in afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, 3.. Burgemeester en wethouders brengen het verzoek of ontwerp van de ambtshalve te nemen beschikking terstond ter kennis van de welstands- en monumentencommissie. 4.. Binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid of – bij een ambtshalve te nemen beschikking – na de datum van de brief waarmee de eigenaar van het betreffende object over de voorgenomen aanwijzing is geïnformeerd, adviseert de welstands- en monumentencommissie aan burgemeester en wethouders. 5.. In spoedeisende gevallen kunnen burgemeester en wethouders van de in dit artikel opgenomen voorbereidingsprocedure afwijken, uitgezonderd het in het zevende lid geregelde overleg. 6.. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden in de gemeentelijke monumentenlijst wijzigingen aanbrengen. De in dit artikel geregelde voorbereidingsprocedure bij aanwijzing is ook op de wijziging van de gemeentelijke monumentenlijst van toepassing. Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is of indien de wijziging betreft het doorhalen van de inschrijving van een monument dat is teniet gegaan, blijft overeenkomstige toepassing van deze voorbereidingsprocedure achterwege. 7.. Burgemeester en wethouders geven met betrekking tot kerkelijke monumenten geen beschikking ingevolge dit artikel dan na overleg met de eigenaar. 8.. Burgemeester en wethouders geven binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de welstands- en monumentencommissie, doch in ieder geval binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid of - bij een ambtshalve te nemen beschikking – na de datum van de brief waarmee de eigenaar van het betreffende object over de voorgenomen aanwijzing is geïnformeerd, een beschikking over de aanwijzing. De beschikking wordt bekendgemaakt aan degenen die als eigenaren en anderszins zakelijk gerechtigden in de kadastrale leggers bekend staan, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van de beschikking mededeling gedaan aan de gebruiker van het onroerend monument en aan degenen die bij de voorbereiding van de beschikking hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Bij overschrijding van de in dit lid genoemde termijnen worden burgemeester en wethouders geacht niet tot aanwijzing te hebben besloten. 9.. Monumenten die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988 of die zijn geplaatst op een lijst van monumenten, op grond van een Monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland, worden door burgemeester en wethouders niet als gemeentelijk monument aangewezen. 10.. Monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, worden geacht van de gemeentelijke monumentenlijst te zijn afgevoerd.

Rechtspraak bij dit artikel