Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 13.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Maatregelverordening WWB 2010

1. Indien de belanghebbende blijk gegeven heeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB, niet zijnde gedragingen zoals omschreven in de artikelen 9 tot en met 14 van deze verordening wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. Indien het benadelingsbedrag niet op objectieve wijze kan worden vastgesteld, zal de maatregel worden afgestemd op de ernst van de gedraging. Dit ter beoordeling aan het college. 3. De duur en/of de hoogte van de maatregel, als omschreven in lid 1 van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare aan te merken gedraging, zoals bedoeld in dit artikel. 4. Een maatregel die op basis van dit artikel voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. 5. Een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand wordt opgelegd indien belanghebbende later terugkeert van vakantie dan ingevolge de WWB is toegestaan, tenzij belanghebbende een ontheffing heeft van de arbeidsplicht . 6. Een maatregel van 15% van de bijstandsnorm gedurende de tijd dat betrokkene onafhankelijk van bijstand had kunnen zijn, indien betrokkene voorafgaande aan het moment dat waarop het recht op bijstand ontstaat, zijn/haar vermogen verantwoord had ingeteerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel